Werking van de watertoren

Water kan over grote afstand worden vervoerd als er, hoe gering ook, hoogteverschil is. Omdat de watertoren een reservoir op hoogte is, zorgt de toren voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet. De toren bestaat uit een draagconstructie met daarop een waterreservoir. Het drinkwater wordt door een brede buis in de toren naar het reservoir opgepompt vanuit het pompstation. De buis staat ook in verbinding met het waterleidingnet en zorgt zo voor een constante druk op de leidingen. Het drinkwater kan zo worden afgeleverd bij woningen en bedrijven onder voldoende druk (minimaal 2 bar op de begane grond) en in voldoende mate, zelfs bij extreme vraag.

In huis zorgen vooral hoogteverschillen voor veel drukverlies, evenals lange, dunne leidingen en leidingen met veel bochten. Met een verlies van 0,5 bar per etage, is er op een 3e woonlaag meestal 1 à 1,5 bar waterdruk over om het warmwatertoestel te vullen. Om een watervoorraad te hebben en de druk in het waterleidingnet constant te houden, werden vroeger watertorens gebruikt. De waterdruk is dan evenredig met de hoogte van de watertoren: voor iedere tien meter stijgt de druk met 100 kiloPascal. Het water in het reservoir dient als buffervoorraad. Als het waterverbruik groter is dan de aanvoer, of als de wateraanvoer tijdelijk stagneert wordt de voorraad in de watertoren aangesproken. De gemiddelde inhoud van de watertorens in Nederland is zo’n 450 m3, met een maximum van 2.500 m3.

Tegenwoordig is het gebruik van watertorens in Nederland vrijwel afgeschaft en wordt de druk in het waterleidingnet onderhouden door elektrische pompen.