De geschiedenis

In de 19e eeuw leidde het gebruik van sterk vervuild sloot- en grachtwater meerdere malen tot het uitbreken van besmettelijke ziekten. Na lang aandringen van verscheidene gezondheidscommissies was in 1881 tot het aanleggen van waterleidingen overgegaan, omdat de meeste bestaande waterpompen over het algemeen water van slechte kwaliteit gaven. De in Luik gevestigde Compagnie Génerale des Conduites d’Eau verwierf de concessie tot aanleg, financiering en exploitatie van de stadswaterleidingen in de Utrecht en omstreken. Deze fabrikant van waterleidingbuizen had ervaring met de aanleg van waterleidingstelsels in andere Europese steden, waaronder Parijs. De maatschappij werd in 1889 omgedoopt tot de ‘Utrechtsche Waterleiding Maatschappij’ (UWM).

De UWM haalde het gezonde water van de zandgebieden bij Soestduinen waar bijzonder schoon drinkwater te vinden was. Omdat bij het oppompen gebruik werd gemaakt van kolen, was het noodzakelijk dat er een spoor in de buurt lag om deze brandstof aan te voeren. Het pompstation kwam vlakbij het treinstation Soestduinen te liggen. Vanuit Soestduinen kon door natuurlijk verval de stad Utrecht en omliggende gemeenten zoals Baarn, Zeist, Driebergen en Bilthoven voorzien worden van schoon water.

De watertoren in Baarn werd in 1903 gebouwd naar ontwerp en opdracht van de heer P.E. Rijk, toenmalig directeur van de UWM. Door de neorenaissance bouwstijl is het een watertoren met een kasteelachtige uitstraling.